M2: Unit 2: Multatuli Text

« back to chapter 2

Original: Multatuli, Max Havelaar (1860)

– Is u juffrouw Sjaalman? vroeg ik.
– Wien heb ik de eer te spreken? zeide zy, en wel op een toon waarin iets lag, alsof ook ik wat eer had moeten brengen in myn vraag.
Nu, van komplimenten houd ik niet. Met een principaal is dit wat anders, en ik ben te lang by de zaken, om myn wereld niet te kennen. Maar om daar veel omslag te verkoopen op een derde verdieping, vond ik niet noodig. Ik zei dus kort-af, dat ik m’nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi, Lauriergracht, No 37, en dat ik haar man spreken wilde. Wel ja, waarom zou ik omslag maken?
Ze wees my een matten stoeltjen aan, en nam een klein meisje op den schoot, dat op den grond zat te spelen. De kleine jongen dien ik had hooren zingen, zag me strak aan, en bekeek me van ‘t hoofd tot de voeten. Die scheen ook volstrekt niet verlegen! Het was een knaapje van een jaar of zes, ook al vreemd gekleed. Zyn wyd broekje reikte ternauwernood tot de helft van de dy, en de beentjes waren bloot van daar tot aan den enkel. Heel indecent, vind ik.
– Kom je om papa te spreken? vroeg hy op-eens, en ik begreep terstond dat de opvoeding van dat knaapje veel te wenschen overliet, anders had hy: ‘komt u’ gezegd. Maar omdat ik met myn houding verlegen was, en wel wat praten wilde, antwoordde ik:
– Ja, kereltje, ik kom om je papa te spreken. Zou hy spoedig komen, denkje?
– Dat weet ik niet. Hy is uit, en zoekt geld om een verfdoos voor me te koopen. (Frits zegt: verwdoos, maar dit doe ik niet. Verf is verf, en geen verw).
– Stil, myn jongen, zei de vrouw. Speel wat met je prenten, of met de chinesche speeldoos. […]
– Wel juffrouw, vroeg ik, verwacht u spoedig uw man?
– Ik kan ‘t niet bepalen, antwoordde zy.Daar liet op-eens de kleine jongen, die met zyn zusje schuitjevaren gespeeld had, deze in den steek, en vroeg my:
– M’nheer, waarom zeg je tegen mama: juffrouw?
– Hoe dan, kereltje, zei ik, wat moet ik dan zeggen?
– Wel … zooals andere menschen! De juffrouw is beneden. Ze verkoopt schotels en priktollen.
Nu ben ik makelaar in koffi – Last & Co, Lauriergracht, No 37 – we zyn met ons dertienen op ‘t kantoor, en als ik Stern meereken, die geen salaris ontvangt, zyn er veertien. Welnu, myn vrouw is: juffrouw, en moest ik nu tegen dat mensch: mevrouw zeggen? Dit ging toch niet! Iedermoet in zyn stand blyven, en wat meer is, gister hadden de deurwaarders den boel weggehaald. Ik vond myn: juffrouw dus wel, en bleef er by.[…]

Sjaalman was er inderdaad geweest. Hy had Stern gesproken, en aan dezen eenige woorden en zaken uitgelegd, die hy niet begreep. Die Stern niet begreep, meen ik. Ik verzoek nu den lezer de volgende hoofdstukken doortebyten, dan beloof ik naderhand weer iets van meer solieden aard, van my, Batavus Droogstoppel, makelaar in koffi: Last & Co, Lauriergracht, No 37.

[From: Multatuli, Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij, ed. A. Kets-Vree, 2 vols., Assen & Maastricht: Van Gorcum, 1992]